Accreditatie in het hoger onderwijs

Woord vooraf

Accreditatie in het hoger onderwijsHet hoger onderwijs is in volle beweging. Wellicht maken instellingen, alle betrokkenen, (studenten, docenten en bestuurders) in deze tijd een van de meest fundamentele transformaties mee die het hoger onderwijs in zijn al rijke geschiedenis gekend heeft. Dit is niet alleen een Nederlands of Vlaams gegeven. Integendeel, het internationale, globaliserende, kenmerk van deze transformatie vormt juist een van de essentiële kenmerken ervan. Accreditatie is een belangrijk element van deze transformatie en tegelijktijd één waar deze internationale invloed ook duidelijk te merken is. Het effect van accreditatie wordt zelfs ook onderschat. Het introduceert een nieuw en fundamenteel met het verleden verschillende vorm van overheidsregulering in het hoger onderwijs. De omslag naar accreditatie is meer dan een keuze voor een bestuurlijk-juridisch vormgegeven beleidsinstrument. Het markeert een fundamentele omslag in de regulering van onderwijs in een wijzigend krachtenveld tussen overheid, onderwijsinstellingen, en andere actoren en stakeholders. De auteurs betogen dat die omslag naar accreditatie niet slechts vanuit binnenlandse noden te verklaren is, maar tevens gezocht moet worden in de beleidsmatige en politieke opstellingen tegenover internationale ontwikkelingen.

Het politieke en academische debat over accreditatie is in Vlaanderen en Nederland nog onvoldoende diepgaand gevoerd. Gezien het belang en het effect van accreditatie wekt dit enige verwondering. Ook de hogescholen en universiteiten, die toch het wetenschappelijke en kritische potentieel van de natie belichamen, lijken zich zeer snel met accreditatie te hebben verzoend, al zijn er achter de schermen ook zeer kritische geluiden te horen. De auteurs van dit boek menen dat accreditatie meer aandacht en een grondig publiek debat verdient. Dit boek is daarom geen aanval op of afrekening met accreditatie. Het poogt wel een reeks kritische vragen te stellen en kwesties op tafel te brengen die nog te weinig aandacht hebben gekregen en eerste ervaringen van instellingen en betrokkenen in kwaliteitszorg in het praktisch omgaan met accreditatie te weerspiegelen. Dit boek formuleert dan ook soms kritiek, op plaatsen expliciet en confronterend, vooral wanneer we menen dat er sprake kan zijn van onzorgvuldigheden die snel zouden moeten worden gerepareerd. Deze kritiek is evenwel constructief bedoeld. Immers: op het ogenblik dat dit boek op de markt verschijnt, komt accreditatie nog maar net uit de startblokken. De eerste reële ervaringen met het toekennen van keurmerken en de bijhorende externe rechtsgevolgen moeten NVAO, instellingen en hun besturen nog afwachten. Temeer omdat het overleg met het veld met veel ijver en zorg wordt gevoerd, verdient accreditatie dus nog krediet. Toch is de behoefte aan informatie, reflectie en discussie nu al erg groot. Dit boek beoogt daartoe materiaal aan te leveren. De auteurs zijn daarom met elkaar in debat getreden, om daarna - vanzelfsprekend - met U als lezer in debat te gaan. Want daarvoor bestaan er boeken.

Het is niet zo eenvoudig een heldere definitie te geven van accreditatie, ook omdat er ook internationaal nog geen eenduidigheid bestaat. In hoofdstuk 1 en 2 komen we tot een definitie van accreditatie die goed weergeeft waar het in Vlaanderen en Nederland bij accreditatie echt om gaat: “de na een keuring verleende erkenning van een opleiding, welke erkenning is gericht op het hechten van rechtsgevolgen daaraan.”

Hoofdstuk 1 gaat dieper in op de conceptuele aspecten van het begrip accreditatie en op de internationale context waarin de ontwikkeling van accreditatie moet worden geplaatst. In hoofdstuk 2 verschuift de focus naar het beleid dat in Nederland en Vlaanderen met betrekking tot accreditatie is gevoerd en worden de voorbereidingen voor wetgeving onder de loep genomen.. Die teksten geven in hoofdstuk 3 aanleiding tot analyse van en reflectie over de bestuurlijk-juridische uitwerking van accreditatie en mogelijke effecten daarvan in de praktijk.

Zoals de definitie ook aangeeft, wordt accreditatie dus als een sluitstuk van een uitgebreider stelsel van kwaliteitszorg gezien en koppelt accreditatie die kwaliteitszorg aan erkenning van opleidingen door de overheid, die zich manifesteert in de externe rechtsgevolgen, onder meer op het vlak van de bekrachtiging en het civiel effect van diploma’s en de bekostiging van opleidingen. Deze definitie legt nadruk op de functionele kant van de zaak, en roept onmiddellijk een aantal vragen op die meer naar de institutionele vormgeving gaan, zoals: “Wie accrediteert?” Nederland en Vlaanderen hebben ervoor geopteerd dit te laten doen door een extern verzelfstandigd publiek orgaan, namelijk de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). Na het wetgevende werk is in feite implementatie en uitwerking geheel bij dit orgaan komen te liggen. In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de rol van de NVAO, maar ook op de wezenlijke rol van de validerende en beoordelende instanties (VBI) in het gehele bouwwerk. Hoe een en ander uiteindelijk naar de instellingen toe uitwerkt, zal de toekomst moeten uitwijzen. Toch wordt in hoofdstuk 5 gepoogd de werking van accreditatie vanuit het perspectief van de instellingen in kaart te brengen en kritisch te evalueren.

Accreditatie zal in Nederland en Vlaanderen moeten functioneren in een complex krachtenveld, waarin vele belangen zullen moeten worden geïntegreerd in een visie op kwaliteitsborging die meer dan ooit sanctionerend is. Er is de invulling van het publieke belang door de wet- en decreetgever, er is het ook internationaal vaak gehoorde argument van de markttransparantie, er is het belang van de bescherming van de student tegen ondermaatse kwaliteit, er zijn de belangen van reeds kwetsbare en ondergefinancierde instellingen die de uiteindelijke kwaliteitsgarantie toch zullen moeten gaan realiseren, er zijn de belangen van het accreditatieorgaan zelf, en er zijn er nog vele andere.

Deze complexiteit heeft ook de auteurs van dit boek ertoe genoodzaakt soms bepaalde posities in dit krachtenveld te kiezen, als het ware een referentiepunt van waar de implementatie en de werking van accreditatie kunnen ‘gekeurd’ worden. Voor de auteurs ligt dit referentiepunt in de mate waarin accreditatie in staat zal zijn een meerwaarde te leveren tot de beleidsvoering in het hoger onderwijs in het algemeen, en tot de kwaliteit van opleidingen in het bijzonder. We zullen daarom ook de politieke argumenten uit de memories van toelichting aan een kwaliteitstoets moeten onderwerpen, maar ons vooral moeten bezighouden met de gevolgen die accreditatie voor de bestuurlijke en inhoudelijke krachtenvelden en machtsverhoudingen gaat hebben.

Het is vanuit dit perspectief dat in hoofdstuk 6 gepoogd is een voorlopige balans te schetsen. Dit hoofdstuk heeft tot doel een aantal van de risico’s en dilemma’s in de invoering en werking van accreditatie in Nederland en Vlaanderen in kaart te brengen. Op basis van het materiaal verzameld en besproken in de eerste vijf hoofdstukken, wordt aldus een geïntegreerde visie gegeven over mogelijke pijnpunten van accreditatie. Tevens wordt een aantal suggesties tot eventuele bijsturing en verbetering van accreditatie gegeven. Dit alles wederom vanuit een constructieve opstelling en in het belang van de kwaliteit van het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs.

Naar aanleiding van de redactie van dit boek hebben de auteurs gemeend er goed aan te doen hun inzichten en bedenkingen ook te toetsen aan de visies van eminente deskundigen op het vlak van hoger-onderwijsbeleid. Daartoe werden op een herfstige zondagavond in oktober 2003, Jan De Groof, hoogleraar en commissaris van de Vlaamse regering aan de universiteiten van Antwerpen en Limburg, Roel in ’t Veld, decaan van de NSOB en Greetje Van den Bergh, lid van het College van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, uitgenodigd voor een informele gedachtenwisseling. Deze expertmeeting heeft de ontwikkeling van de gedachten van de auteurs geholpen, maar de verantwoordelijkheid voor dit boek blijft uiteraard volledig bij de auteurs zelf liggen. Enkele excerpten van dit gesprek werden op het einde van hoofdstuk 6 toegevoegd.

Naar publicatielijst Naar boven

View Peter Kwikkers's profile on LinkedIn

Hogeronderwijsrecht